Schuldgevoel

Vorige week was er een etentje voor een goede vriendin die 40 werd. Daarna kwam het voorstel om nog eens goed uit de bol te gaan. Dansen in de stad. Het was al meer dan een jaar geleden dat ik nog eens in de stad was, laat staan gaan dansen. Maar ik voelde me goed die avond en besloot mee te gaan. Het werd een zeer aangename avond en een fantastische nacht. Ik heb me erg geamuseerd, en gedanst. Bevrijdend!

The day after.

Minder. Ik had niet enkel een houten hoofd – ik drink doorgaans nogal weinig – maar merkte ook een wondje op aan mijn stomp. Ik noem het liever ‘mijn slechte been’. Stomp klinkt vreemd, vies, … nog steeds. Maar goed, het leek niet erg genoeg om me zorgen te maken. Ik had andere dingen aan mijn hoofd: het was moederdag, een dag vol liefde, lekker eten, een kort fietstochtje met de kinderen… zeer geslaagd allemaal.

Twee dagen later was het mijn verjaardag, een dinsdag. Mijn vriendin en ik zijn allebei thuis dinsdags, dus was het de ideale gelegenheid om iets samen te doen. Maar dat onnozel wondje was ondertussen groter en groter geworden en zeer veel pijn beginnen te doen. Ik liet er onze uitstap naar de stad niet door vergallen, en beet door. Pijnlijk was het. Ik probeerde de pijn te onderdrukken. Ik wilde de goeie sfeer niet verpesten. We waren eindelijk eens met z’n tweetjes op stap. Na een lekkere en gezellige lunch gingen we nog even shoppen, vooral voor de kinderen dan, want die groeien vlugger uit hun kleren dan wij er kunnen kopen. Tijdens het shoppen kwam de pijn meer en meer opzetten. Ik zocht hier en daar steun of een stoeltje om even te kunnen zitten. Ik was meer dan opgelucht toen we opnieuw bij de auto kwamen, en naar huis reden. Tegelijk zat ik ook met een groot schuldgevoel: op het moment dat we nog eens tijd voor elkaar hadden, zat ik met pijn aan mijn been. Klote.

Pijn is er altijd. Een continue zenuwpijn die ik zo goed als mogelijk onder controle tracht te houden, met medicatie, relativeren en zen. Dat gaat nog. Maar de wondpijn, daar valt niet aan te ontkomen. Dat valt niet te relativeren, want die is erg fysiek. Tientallen naalden die prikken, onophoudelijk. Die brandende en snijdende pijn bovenop de zenuwpijn is de druppel. Na al die jaren weet ik: als ik ook maar een wondje bespeur, moet de prothese af. Geen wrijvingen bevorderen de genezing. Ik weet dat. Maar ik ben koppig, en op mijn verjaardag wil ik doen wat ik wil. Het leuk hebben, me amuseren, en volop man zijn, ook voor mijn vrouw.

De dag nadien, woensdag, stond er een schoolactiviteit op de agenda: met de school naar Bobbejaanland. Ik zag dat absoluut niet zitten: de pijn was te erg. De avond voordien zat ik gestrest thuis. Hoe ging ik dat weer aanpakken? Ik kon toch niet wéér thuis blijven? Ik was de week voordien ook al een paar dagen thuis. En dan nog wel om een overbelasting van mijn ‘goed been’. Wat zouden ze wel niet zeggen als ik het nu weer liet afweten? Gaan werken dus, met prothese.

Dat bleek geen al te best idee. Ik kon amper stappen, en zelfs met twee krukken kon ik de pijn niet harden. Dit ging niet. Naar de directeur dan maar, vragen of er een oplossing was zodat ik niet zou mee moeten op uitstap. Gelukkig luisterde de directeur naar mijn verhaal. Ik ben er haar dankbaar voor. Het doet deugd als er naar je geluisterd wordt en je au serieux genomen wordt. Ik werkte die dag op de andere speelplaats bij de laatstejaars, maar dat was maar een klein groepje leerlingen. Ik kon die dag mijn been wat sparen. Toch moest ik met mijn prothese aan naar de refter, naar de slaapzaal, naar de speelplaats, en ’s avonds nog een uurtje met een bende van 35 jonge leeuwen naar de speelpleinen, tot het bedtijd was. Oef.

Rond half tien zat ik zelf in mijn kamer. Helemaal op. Mijn hele lijf deed pijn. Ik had nochtans de minst belastende job van de dag. De dag erna, donderdag, was er in de voormiddag een EHBO-cursus. Ik kon het niet meer houden van de pijn en heb daar ter plaatse – waar iedereen bijzat – mijn broek afgestroopt, en mijn prothese losgemaakt.

Tegen de middag kon ik naar huis; ik had een afspraak bij de kinesist voor mijn ander been maar heb ik uiteindelijk mijn stomp laten masseren. Het voelde alsof er stalen kabels in mijn slap, dun been zaten. De kinesist was verbaasd dat alles zo vast zat. Ik niet. Het was ongeveer 5 jaar geleden dat ik het laten masseren had. Ik stop dat verdomde misbaksel het liefst zo vlug weg in mijn prothese. Weg ermee. En als ik kan stappen, is het handicap-gevoel miniem. En zo wil ik het.

The kids are alright.

Zelfde dag, nog steeds. Ik ging de kinderen van school halen. Prothese aan en krukken. Het was te lang geleden dat ik nog eens zonder prothese in het openbaar was geweest; ik geneerde mij te veel. Ik wou niet bekeken worden door andere ouders en hun kinderen.

Toen we thuis kwamen, vertelde ik mijn kinderen dat ik erg veel pijn had. En dat ik mijn rolstoel zou gebruiken. Ik wou ook dat ze goed luisterden naar wat ik vroeg of zei. Een uur later hoorde ik mijn gasten ravotten met de buurjongens en –meisjes. Ik hoorde ze lachen en plezier maken. Ik zat in de tuin. Geen prothese, wel een rolstoel. Ik was blij voor hen, maar voelde me toch ook triest. Ik kon niet deelnemen. Af en toe ging ik eens met mijn krukken tot aan de haag, kijken of alles oké was. De pret kon niet op. Dat stelde me gerust. Het was een mooie dag. Het vooruitzicht van met mijn vrouw en twee jongens samen te eten, stemde me ergens wel vrolijk.

Toen ik tegen zessen aan de haag ging zeggen dat we een kwartier later zouden eten, kwam er geen reactie. Mijn oudste, Jona, hield zich doof. ‘Jona? Heb je me gehoord?’ ‘Ja-aa, dat heb je daarnet al gezegd’, snauwde hij terug. Dat had ik niet verwacht. Ik stond daar, op één been, met krukken, en mijn achtjarige zoon ‘snakte me af’. Ik was te beduusd om iets te zeggen – er waren nog veel kindjes samen aan het spelen – en ging weg. Toen mijn zoontjes binnenkwamen, sprak ik mijn oudste zoon aan en zei hem dat ik echt niet begreep waarom hij mij zo aansprak, en dat ik dat echt niet verdien om zo aangesproken te worden.

Jona ging om het hoekje zitten. Toen ik ging kijken, zat hij te wenen. Ik vroeg wat er scheelde. Had ik niet mogen zeggen dat ik zo niet afgesnauwd wilde worden? ‘Ik ben kwaad’, zei hij. ‘Waarom ben je kwaad’, vroeg ik. ‘ Ik ben kwaad op mezelf’. Ik zei dat hij helemaal niet kwaad moest zijn op zichzelf, maar dat ik gewoon wil dat hij beleefd is. Hij begon nog harder te huilen en toen kwam het er allemaal uit: ‘Ik ben kwaad op die domme meneer die jouw been er heeft afgereden! Waarom moet dat nu juist bij mijn papa gebeuren? Ik ben kwaad om te zien dat jij elke dag pijn hebt en zo moeilijk mee kan spelen in de tuin! Ik heb medelijden met je en ik zie je graag. Maar jij kan daar toch ook allemaal niet aan doen. Ik mag niet kwaad zijn op jou.” De tranen sprongen in mijn ogen. Dit was de eerste keer dat mijn oudste zoon liet blijken dat hij het moeilijk heeft met mijn handicap. Ik nam hem in mijn armen en we huilden allebei. Ik zei dat hij best eens kwaad mag zijn, zelfs op mij. Het moet inderdaad niet leuk zijn om een papa te hebben die altijd zoveel pijn heeft en daardoor ook heel weinig echt kan ravotten met zijn kinderen.

Ik heb dit ooit al bij therapeuten aangehaald. Meestal komt dan het antwoord ‘Maar je kan met je zoon toch nog een heleboel andere dingen doen?’ Ja, natuurlijk, maar ik heb nu eenmaal twee zonen die heel graag eens wild doen en explosief zijn, en veel energie hebben, veel meer dan ik. Ik kan ze niet altijd verleiden met ‘laten we tekenen’ of ‘kom, we gaan een boek lezen’. Ze willen lopen, klimmen, fietsen, vallen en opgevangen worden, ook door hun vader. En daarin faal ik grandioos. Het schuldgevoel is immens. Het doet verschrikkelijk veel pijn om te voelen dat je als papa tekort schiet en dat je kinderen dat eigenlijk niet durven te zeggen, omdat ze gewoon medelijden hebben. Een kind van acht dat medelijden heeft met een vader van 43. Dat klopt helemaal niet in.

Ik was er kapot van. Ik ben wel ergens blij dat Jona het heeft durven te zeggen. En ik heb het gevoel dat het onze band heeft versterkt. Ik zie mijn twee jongens heel graag en het is erg te beseffen dat ik ergens tekort kom. Al merk ik wel dat het mijn zoon goed gedaan heeft het eens uit te spreken. Er viel een last van zijn schouders.

Schuldgevoel, het is echt een heel intense emotie. Ik ben mijn zoon eeuwig dankbaar voor het feit dat hij dat allemaal heeft durven te zeggen. Ik wil een held zijn voor mijn kinderen. Welke papa wil dat dan niet ? Zonder dat ze het zelf beseffen, zijn ze ook ergens mijn helden, de grootste zenmeesters die ik ooit ontmoet heb.

13225066_10210014103132131_967874674_o

 

4 Comments

  1. Beantwoorden
    Ine 19 mei 2016

    ik zit hier met de tranen in mijn ogen: we willen allemaal dat onze kinderen een zorgeloze jeugd hebben, dat ze zolang mogelijk kind kunnen zijn, dat ze niet te snel geconfronteerd worden met de lelijkheid die onze wereld soms biedt. en we willen ook dat die dezelfde kinderen ons zien als hun held en als onverwoestbaar. maar we zijn ook maar mensen met onze gebreken en gevoelens. Nico, je bent goed bezig en samen met Tessa zorg je voor een warme thuis voor jullie jongens waar ze kunnen en Mogen zeggen wat in hen omgaat. dikke knuffel!

  2. Beantwoorden
    Leen 19 mei 2016

    Los van handicap, hebben we allemaal onze tekortkomingen, ook naar onze kinderen toe. Dat is een deel van het leven, compleet normaal, naar mijn gevoel. En we zullen ons daar ook wel allemaal in meer of mindere mate wel eens schuldig over voelen, maar tegelijk vind ik dat evengoed ons goed recht om als ouder ook eens ‘mank’ te lopen. X

  3. Beantwoorden
    Daniël 19 mei 2016

    Mooi Nico, bedankt, x

  4. Beantwoorden
    admin 23 mei 2016

    Bedankt voor jullie oprechte comments !

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *